HoopWout ligt in het ziekenhuis. Nou ja ligt… Hij zit op de rand van zijn bed, scharrelt met zijn looprek en is veel te onrustig om zijn geopereerde diabetesvoet de voorgeschreven rust te gunnen. Ondanks zijn kale kop en volgetatoeerde lijf windt hij charmant het personeel om zijn vinger. ‘Ik heb grote eerbied voor jullie werk, echt ik ben ontzettend dankbaar voor jullie goede zorgen. De maatschappij zou jullie beter moeten belonen’, zegt hij te pas en te onpas tegen wie het maar horen wil. Hij praat de oren van het hoofd van zijn zaalgenoten, maakt grapjes met de schoonmakers, de catering, de arts-assistenten en is een open boek voor wie maar luisteren wil.

Als het bezoekuur aanbreekt wordt Wout stil. Voor hem komt niemand. Gisteren niet, vandaag niet en morgen ook zeker niet. Zijn tweelingzus is dood. Zijn vrouwen zijn exen. De kaartjes komen van de thuiszorg. Er is één kind, een twintiger. ‘Dat je mag rotten in de hel, ik zal dansen als je dood bent’, appt het kind. ‘Waarom zegt ie dat?’, vraagt Wout. ‘Ik ben altijd goed voor hem geweest. Ik zat niet voor mijn zweetvoeten acht jaar in de cel maar mijn kind heb ik nooit wat gedaan. Een kind slaan, dat doe je niet. Je hebt je eer toch? Echt, ik heb mijn best gedaan. Alimentatie betaald, cadeautjes gekocht voor zijn verjaardag, het heeft hem nooit aan geld ontbroken. Maar hij wil me niet meer zien, zegt ie. Als ik hem bel neemt ie niet op. Ik appte hem daarom maar dat mijn nieren en mijn longen vol kanker zitten en dat zijn vader misschien niet lang meer leeft. Ik dacht, dat moet ik hem toch laten weten. En dan krijg je zo’n reactie?!’

‘Hij reageerde wel’, zeg ik zachtjes. En dan komen de tranen. Enkele ogenblikken later recht hij zijn vlezige lijf. ‘Ja’, zegt hij hoopvol ‘misschien gunt hij me nog één gesprek.’

Deze tekst verscheen eerder in de rubriek Opgetekend van het vaktijdschrift Ouderschapskennis

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *