“Volgens mij krijgt de poes jongen.” Mijn man gelooft er niks van ‘ze is toch aan de pil, dat gaat heus wel goed.’ Maar ik heb mijn twijfels, ze is zo dichtbij-ig, ze ligt steeds languit en volslagen voor pampus op de bank en bovendien voel ik haar tepels plotseling terwijl me die nooit eerder waren opgevallen. Als twee weken later de dierenarts mijn vermoeden bevestigt barst de plaatsvervangende nesteldrang bij mij in alle hevigheid los. Ik lees poezenboeken, denk over nestkisten en loop met poezenogen door het huis op zoek naar een geschikt plekje om te bevallen. Ook al is het nog lang niet zo ver, echt ver weg is het niet want poezen – zo hoorden we tot onze grote schrik – dragen maar negen weken.
Als manlief een doos prepareert die uit de supermarkt is meegekomen scheld ik hem de huid vol; ‘die is niet goed, ik had toch gezegd dat het een bananendoos moest zijn?!’ De heftigheid waarmee ik reageer verbaast me, maar het komt van diep. Verdorie, er is toch iemand die voor onze Mobje moet opkomen. Ze is ook nog zo jong, amper 15 maanden, het is toch geen leeftijd voor een moeder. Zou ze wel weten wat er aan de hand is, zou ze straks wel snappen wat er van haar verwacht wordt?
Het is een wonderlijk soort verantwoordelijkheidgevoel dat me bevangt. Tegelijkertijd is het overduidelijk dat poeslief voor het kroost gaat zorgen. Geen haar op mijn hoofd dat ik dat van haar ga overnemen. Maar ik wil zo graag dat het haar goed gaat, dat ze niets tekort komt, dat het allemaal een beetje soepel gaat. Zou ik dat later als oma precies zo ga ervaren? Ik begin een heel klein beetje te begrijpen welke vreugde en zorgen en er bij het grootouderschap horen. Hoe ik dan met argusogen en een rugzak vol ervaring toekijk hoe mijn dochters zelf het wiel aan het uitvinden zijn. Zou ik dan mijn mond kunnen houden of is het juist goed om de opgedane ervaring te delen?
‘Ik weet me geen raad, het meiske slaapt 20 minuten en is dan alweer wakker. Thuis slaapt ze met gemak twee uur achter elkaar. En ze wil niet in de box, ze huilt alleen maar. Ik kan mijn dochter toch niet blijven bellen om haar de borst te geven?’ Oma klinkt gedesillusioneerd. Ze had zich het oppassen duidelijk anders voorgesteld. Ze voelt zich verantwoordelijk voor het welslagen maar ik vraag me af hoever je invloed daarin reikt. Want natuurlijk heeft ze voor de goede voorwaarden gezorgd. Er is plaats gemaakt voor een bedje en een box, de moeder heeft instructies achtergelaten en het kind wordt met open armen liefdevol ontvangen. Maar ben je er daarmee? Blijkbaar niet.
Ik probeer me voor te stellen hoe het voor een mensje van amper tien weken oud is om de vertrouwde omgeving van huis en haard te verlaten. Ze is natuurlijk al wel vaker buiten de deur geweest maar nog niet zonder haar moeder. Een ander huis, dat betekent ander licht, andere temperatuur, andere geuren. Het bedje voelt anders, onbekende geluiden (of beter vooral de afwezigheid van het kabaal dat haar drie broers gewoonlijk produceren) en de handen die haar vasthouden zijn beduidend minder bedreven dan die van haar eigen moeder.
Oma anderzijds wil graag laten zien dat haar kleinkind in goede handen is bij haar. Ze wil de zorg verlichten voor de moeder, haar geruststellen in haar keuze. Van huis uit is ze bovendien een pedagoog en ze gaat er vanuit dat de opgedane kennis in de jaren vijfig en zestig, en het grootbrengen van haar eigen kinderen, toereikend is om nu naadloos aan te sluiten bij dit nieuwe kindje. Het voelt als persoonlijk feilen wanneer dat niet soepeltjes lukt.
“Ze is nu toch voor de tweede keer bij je? Misschien moet je haar en ook jezelf het voordeel van de twijfel gunnen. Neem wat meer tijd om aan elkaar te wennen. Ga niet steeds iets nieuws proberen maar doe steeds dezelfde dingen zodat ze de gelegenheid krijgt om jouw gewoontes te leren kennen. Je hoeft het niet precies hetzelfde te doen als haar eigen moeder, als ze maar leert vertrouwen op jouw goede zorgen. En dat doet ze het snelst wanneer jij niet teveel twijfelt of je het wel goed doet.” Het voelt wat onwennig om dit tegen iemand met zoveel meer werk- en levenservaring te zeggen maar het rolt er als vanzelf uit. ‘Verdorie, daar heb je waarschijnlijk gelijk in. Ik probeer en probeer maar en ik vergeet helemaal dat de kleine hummel mij en mijn huis moet leren kennen. Dan moet ik dus inderdaad niet steeds iets anders willen uitproberen. Dank je wel, ik ga gewoon weer dapper verder!’
Soms is het nog niet zo gek om er even vanaf de maan naar de te kijken, zouden meer mensen kunnen doen.