“Kom binnen, ga zitten, wil je koffie? Thee?” Ik kom mijn dochter ophalen en als altijd ontvangt de moeder van het vriendinnetje me allerhartelijkst. Zelf vergeet ik het vaak om te vragen, of het komt nét niet uit, pas als zo’n moeder dan weg is bedenk ik ‘ach ik had moeten vragen of ze een kopje thee wilde’ en dan voel ik me zo’n onvriendelijk mens, al bedoel ik het niet kwaad… De lange keukentafel nodigt uit tot aanschuiven en ach waarom eigenlijk niet, ik heb best even tijd voor een bakje. Terwijl we daar zo samen genoeglijk de dag doornemen kijk ik mijn ogen uit in de grote woonkeuken, het kloppend hart van dit gezin. De aanrecht is nog wit van de vers rondgestoven bloem, de appeltaart inmiddels in de oven. Op het fornuis pruttelt een stoofpotje, naast wat sinaasappelschillen staat een kan versgeperste jus, kopjes en glazen wachten op een afwasbeurt. Op de tafel een stilleven van knutselparafernalia, onder een stapel papier schuilt een mobieltje, lucifers, post, bloemen die hun beste tijd gehad hebben, een bord met kruimels, een half geslachte anannas, een speldenkussen en een verdwaalde kerstbal en nóg is er plaats voor de theepot en de koektrommel. De kinderen rennen in en uit, de poezen verblikken of verblozen niet, moeder trouwens ook niet.Thuis zou ik me stapel ergeren aan de zooi, maar hier niet. Hier in deze gemoedelijke woonkeuken past het en het deert me niet.
Laatst raakte mijn schema hopeloos in de knoei en haalde ik dochterlief pas om 18.30 op. Ik baalde want dat overkomt me niet zo vaak. Binnen de kortste keren zat ik echter met een glaasje wijn achter een bordje eten bij ze aan tafel en zakte mijn adrenalinenivo verbazingwekkend snel terug – tot ver ónder het normale nivo. Heerlijk zo’n huishouden waar dat allemaal gewoon maar kan, waar tijd en ruimte in overvloed is. Niet mijn sterkste kant ik geef het onmiddellijk toe. Dus stiekem kijk ik de kunst af als ik daar aan die grote houten tafel van mijn gestolen momenten geniet.
“Mag ik je iets vragen…” klinkt er dan regelmatig aan de andere kant van de tafel. Want ik ben dan weer goed in meedenken met anderen. Als ze hopeloos vastgedraaid zijn en geen uitweg meer weten lukt het mij over het algemeen aardig de hoofd- van de bijzaken te onderscheiden, het slagveld te overzien en de consequenties te dóórdenken van mogelijke beslissingen. Ook voor mijzelf heb ik een aardig idee van hoe ik het leven in wil richten en het lukt me bovendien daar uitvoering aan te geven. Daar kunnen zij dan weer wat van opsteken, als ze willen. It takes a village to raise a child volgens een oud gezegde. Door gebruik te maken van elkaars sterke kanten kunnen we bovendien als ouders ook nog wat van elkaar leren.
“Oh nee hè, kijk nou wat er gebeurt, dat gaat niet goed!” roept Rosa verschrikt uit als ze ziet hoe de moederijsbeer haar jong op de grond laat stuiteren. Ik sus dat ‘t allemaal zo’n vaart niet zal lopen, dat ‘t voor de moeder ook allemaal nieuw is en ze het nog moet leren. Nu maar hopen dat ijsbeerbaby’s daar op gebouwd zijn. Acht jaar geleden stond ik zelf te stuntelen met mijn eersteling en vreesde ik de dag dat ‘t kindje in een onbewaakt ogenblik van de commode zou kukelen. Wat voelde ik me onhandig en onzeker en ik kon haar bovendien niet vragen of ik het zo allemaal wel goed deed. Ik prutste met kleertjes aantrekken, aarzelde over wel of niet troosten bij het huilen, wist me geen raad als ze niet wilde slapen volgens het schema van de kraamzuster. Maar elke dag keerden dezelfde rituele handelingen terug en gaandeweg raakte ik vertrouwd met het verzorgen van zo’n hummeltje. Door zo praktisch bezig te zijn groeide het vertrouwen in mijn moeder-kunnen. Gelukkig werd mijn commodenachtmerrie geen bewaarheid maar als kersverse moeder heb ik ook heus mijn lessen wel gekregen. Die keer dat ik in haar vinger knipte en het bloed eruit spoot, dat ik vergeten was de babyfoon aan te zetten en ze urenlang (?) had liggen huilen, dat haar prakje te warm was en ze haar tong brandde. En toen dacht ik het bij de tweede allemaal wel te weten en bleek Estelle een heel ander kind… Het leren begon van voor af aan.
Mijn lief was in het begin net zo onzeker als ik over hoe het allemaal moest en tijdens mijn verlof was hij sterk geneigd het aan mij over te laten. In die tijd was ik echter kostwinner dus hij zou merendeel voor Rosa gaan zorgen. Dapper moedigde ik hem aan het op zijn eigen manier uit te vinden. Al dacht ik diep in mijn hart dat mijn manier natuurlijk de beste was. De luiers zaten aan de losse kant en hij gebruikte de plasgootjes niet, hij vouwde de was heel anders dan ik gewend was, sloeg geen voorverwarmd handdoekje om het blote kind als hij het meenam naar de douche, gaf het potje eten zo koud uit de koelkast en maalde niet om bij elkaar passende broekjes en truitjes. Maar ze vaarde er wel bij en ik zag hoe de band die ze samen opbouwden met de dag sterker werd.
Om me heen zie ik dat veel mannen hoofdschuddend ter verantwoording worden geroepen door hun vrouw, of erger nog, ze worden gecorrigeerd waar ze bij staan. Sommige vrouwen doen het stiekem over zodra manlief de hielen heeft gelicht. En vervolgens hoor ik ze klagen dat alle zorg uiteindelijk toch op hun schouders neerkomt. Dat is natuurlijk niet zo gek als die man de kans niet krijgt het op zijn eigen manier uit te vinden, om succeservaringen op te doen. De enige manier om vertrouwd te raken met het kind dat je in de schoot geworpen is, is doen-doen-doen, te beginnen met de basale praktische verzorging. Als het gaat om een eerlijke zorgverdeling is zelf meer buitenshuis gaan werken geen automatische garantie op ruimte voor je man, daarvoor is iets anders nodig. De moed om naast je eigen maatstaf een andere te accepteren. Want voor je het weet verstoot je niet je kind maar wél je man en volgens mij ben je dan nog verder van huis.
illustratie; Niels Snoek
‘Ik weet me geen raad, het meiske slaapt 20 minuten en is dan alweer wakker. Thuis slaapt ze met gemak twee uur achter elkaar. En ze wil niet in de box, ze huilt alleen maar. Ik kan mijn dochter toch niet blijven bellen om haar de borst te geven?’ Oma klinkt gedesillusioneerd. Ze had zich het oppassen duidelijk anders voorgesteld. Ze voelt zich verantwoordelijk voor het welslagen maar ik vraag me af hoever je invloed daarin reikt. Want natuurlijk heeft ze voor de goede voorwaarden gezorgd. Er is plaats gemaakt voor een bedje en een box, de moeder heeft instructies achtergelaten en het kind wordt met open armen liefdevol ontvangen. Maar ben je er daarmee? Blijkbaar niet.
Ik probeer me voor te stellen hoe het voor een mensje van amper tien weken oud is om de vertrouwde omgeving van huis en haard te verlaten. Ze is natuurlijk al wel vaker buiten de deur geweest maar nog niet zonder haar moeder. Een ander huis, dat betekent ander licht, andere temperatuur, andere geuren. Het bedje voelt anders, onbekende geluiden (of beter vooral de afwezigheid van het kabaal dat haar drie broers gewoonlijk produceren) en de handen die haar vasthouden zijn beduidend minder bedreven dan die van haar eigen moeder.
Oma anderzijds wil graag laten zien dat haar kleinkind in goede handen is bij haar. Ze wil de zorg verlichten voor de moeder, haar geruststellen in haar keuze. Van huis uit is ze bovendien een pedagoog en ze gaat er vanuit dat de opgedane kennis in de jaren vijfig en zestig, en het grootbrengen van haar eigen kinderen, toereikend is om nu naadloos aan te sluiten bij dit nieuwe kindje. Het voelt als persoonlijk feilen wanneer dat niet soepeltjes lukt.
“Ze is nu toch voor de tweede keer bij je? Misschien moet je haar en ook jezelf het voordeel van de twijfel gunnen. Neem wat meer tijd om aan elkaar te wennen. Ga niet steeds iets nieuws proberen maar doe steeds dezelfde dingen zodat ze de gelegenheid krijgt om jouw gewoontes te leren kennen. Je hoeft het niet precies hetzelfde te doen als haar eigen moeder, als ze maar leert vertrouwen op jouw goede zorgen. En dat doet ze het snelst wanneer jij niet teveel twijfelt of je het wel goed doet.” Het voelt wat onwennig om dit tegen iemand met zoveel meer werk- en levenservaring te zeggen maar het rolt er als vanzelf uit. ‘Verdorie, daar heb je waarschijnlijk gelijk in. Ik probeer en probeer maar en ik vergeet helemaal dat de kleine hummel mij en mijn huis moet leren kennen. Dan moet ik dus inderdaad niet steeds iets anders willen uitproberen. Dank je wel, ik ga gewoon weer dapper verder!’
Soms is het nog niet zo gek om er even vanaf de maan naar de te kijken, zouden meer mensen kunnen doen.
Ze vechten er nog net niet om maar de schermutselingen om een stoel op de eerste rij te bemachtigen lijken er verdacht veel op. Gaan deze vrouwen naar een popconcert? Welnee, met hun neus tegen het raam geplakt volgen ze de verrichtingen van hun nageslacht. Het commentaar is niet van de lucht. Met grote gebaren denken ze hun kinderen bij te staan in de zwemles. Hun monden mimen d o o r z w e m m e n en ze maaien met hun armen door de lucht. Als er al een moeder is die het waagt even naar de wc te gaan wordt ze meteen door de andere moeders bijgepraat over wat er in de tussentijd allemaal gebeurd is.
Ik raak niet uitgekeken. Op die moeders dan. Hun amechtige pogingen staan vast voor een grote betrokkenheid maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het weinig bijdraagt aan het leerproces. Als je je kind wil stimuleren dan zou ik zelf bovendien kiezen voor positieve feedback. Maar ook daarin ben ik een vreemde eend in de bijt. Want het is niet goed of het deugt niet; “l u i s t e r e n”, “niet zoveel onder water zitten”, “hóge armen!” De moeders tikken zelfs op het raam om de aandacht van hun kroost te vangen. Op het eerste gezicht lijkt het een typisch geval van de beste stuurlui die aan wal staan. Hoe langer ik kijk hoe meer ik echter vrees dat ze vooral weinig vertrouwen in hun kind hebben.
Ik zie Estelle ploeteren. Het is een hele klus om te leren drijven en vooruit te komen in het water. Ach gossie wat moet ze hard werken en wat krijgt ze veel water binnen. Het is een wonder dat ze ooit haar A-diploma gaat halen. Toch geloof ik dat het haar op een dag gaat lukken. De zwemjuf weet van wanten, mijn meisje is gemotiveerd en ik ben bereid er een smak geld voor neer te tellen. Meer dan vertrouwen dat het goed komt kan ik niet doen. Ik kan haar nu eenmaal niet álles zelf leren. Ik pak de krant en sla ‘m open. Haar uitdaging is te leren zwemmen. De mijne de kunst om mijn kind toe te vertrouwen in andermans handen.