“Volgens mij krijgt de poes jongen.” Mijn man gelooft er niks van ‘ze is toch aan de pil, dat gaat heus wel goed.’ Maar ik heb mijn twijfels, ze is zo dichtbij-ig, ze ligt steeds languit en volslagen voor pampus op de bank en bovendien voel ik haar tepels plotseling terwijl me die nooit eerder waren opgevallen. Als twee weken later de dierenarts mijn vermoeden bevestigt barst de plaatsvervangende nesteldrang bij mij in alle hevigheid los. Ik lees poezenboeken, denk over nestkisten en loop met poezenogen door het huis op zoek naar een geschikt plekje om te bevallen. Ook al is het nog lang niet zo ver, echt ver weg is het niet want poezen – zo hoorden we tot onze grote schrik – dragen maar negen weken.
Als manlief een doos prepareert die uit de supermarkt is meegekomen scheld ik hem de huid vol; ‘die is niet goed, ik had toch gezegd dat het een bananendoos moest zijn?!’ De heftigheid waarmee ik reageer verbaast me, maar het komt van diep. Verdorie, er is toch iemand die voor onze Mobje moet opkomen. Ze is ook nog zo jong, amper 15 maanden, het is toch geen leeftijd voor een moeder. Zou ze wel weten wat er aan de hand is, zou ze straks wel snappen wat er van haar verwacht wordt?
Het is een wonderlijk soort verantwoordelijkheidgevoel dat me bevangt. Tegelijkertijd is het overduidelijk dat poeslief voor het kroost gaat zorgen. Geen haar op mijn hoofd dat ik dat van haar ga overnemen. Maar ik wil zo graag dat het haar goed gaat, dat ze niets tekort komt, dat het allemaal een beetje soepel gaat. Zou ik dat later als oma precies zo ga ervaren? Ik begin een heel klein beetje te begrijpen welke vreugde en zorgen en er bij het grootouderschap horen. Hoe ik dan met argusogen en een rugzak vol ervaring toekijk hoe mijn dochters zelf het wiel aan het uitvinden zijn. Zou ik dan mijn mond kunnen houden of is het juist goed om de opgedane ervaring te delen?
Routineus vul ik tijdens het ontbijt de trommels met bruine boterhammen, één met kaas, en bij wijze van concessie één met chocopasta. Dan nog de drinkbekers en een stuk fruit en ze kunnen er weer een hele schooldag tegenaan. Tevreden sorteer ik de stapeltjes uit. Dat heeft deze moeder weer mooi voor elkaar. “Mama, mag ik een koek mee?” Pardon, waar komt dat opeens vandaan? “Iedereen heeft altijd een koek mee en wij nooit. Wij hebben altijd fruit, ik wil ook een koek mee naar school.” Iedereen – altijd, galmt het na in mijn hoofd. Hebben kinderen op deze leeftijd wel vaker last van, het is aan mij om dat te relativeren. Aan de andere kant, misschien ben ik wel te braaf? Grijpen moderne ouders inderdaad een pakje drinken en een voorverpakte koek uit de lang houdbare voorraad en is iedereen blij. De stilte duurt al te lang, ik moet nú antwoord geven. “Nee schat, zo doen wij dat niet.”
Wat zeg ik nu? Heeft het Balkenende-virus mij te pakken met zijn ‘zo zijn onze manieren’ of snijdt het hout wat ik zeg? Gister ook al toen we met zijn allen naar de film gingen en mijn oudste zei “há dan gaan we lekker popcorn kopen” want dat had ze laatst met een vriendje ook gedaan. Als vanzelf floepte “nee meis, wij eten niet onder de film” eruit. “Oh ja”, zei ze en daarmee was de kous af. Zeven en negen zijn ze nu, die meiden van mij. Ze kleden zichzelf aan, zijn zindelijk geworden, zeggen dankjewel en alsjeblieft, onthouden afspraken en regels (meestal) en zijn vertrouwd met het ritme van de dag, de week, het jaar. Dat is alvast gelukt. De discussies gaan nu over waarom we het doen zoals we het doen. “Iedereen mag Nickolodeon en Jetix kijken”, “iedereen gaat pas om negen uur naar bed”, “iedereen mag oorbellen”, “alle meisjes uit mijn klas zitten op paardrijden” en “iedereen eet elke week patat”.
Terug naar “iedereen heeft altijd een koek mee naar school”. Waarschijnlijk zijn wij het laatste huishouden op aarde dat geen koeken in huis heeft dus het antwoord is eenvoudig maar daar gaat het Estelle natuurlijk niet om. Ze wil erbij horen, niet afwijken én iets lekkers bovendien. Ik wil haar gezond laten eten, niet buigen voor de groepsdruk en misschien wil ik ook nog wel het goede voorbeeld geven. Maar ik ben de beroerdste niet en mijn meisje begrijpt ook best waarom fruit gezonder is. Elke vrijdag een koek mee is het compromis waar we ons beiden in kunnen vinden. Zo doen wij dat.
Ontredderd lig ik in het kraambed. Mijn man heeft gister zijn rechterhand gebroken, er is geen kraamzuster beschikbaar omdat alle juni-baby’s bij volle maan gekomen zijn en we wonen net een paar maanden in een nieuw dorp dus van een sociaal vangnet is nog geen sprake. De oudste is nog geen twee als haar zusje geboren wordt, dus ook van die kant is weinig hulp te verwachten. Als de ene slaapt, is de andere wakker en omgekeerd. Waren de borstvoedingsmomenten bij Rosa een oase van rust, nu moet ik met de ene arm Estelle zien vast te houden en met de andere een peuter zien weg zien te houden. Toch is die exponentieel toegenomen chaos niet eens de grootste verandering. De overgang van één naar twee kinderen ervaar ik vooral mentaal als een enorme overgang.
Natuurlijk kende ik als moeder het overweldigende besef al verantwoordelijk te zijn voor zo’n klein wezentje. Tot dan voelde het echter vooral als ‘een stel met een kind’. Overzichtelijk. Een lekkere brede zorgbasis bovendien want ‘wij’ waren in de meerderheid, dus ‘haar’ kon niets overkomen. Als één van ons twee wegviel, om te gaan werken, te stadten of door een griepje, dan was er nog altijd één hele grote volwassene over om voor dat hummeltje te zorgen. Dat ging eigenlijk altijd wel goed. Toen kwam Estelle erbij en werden we van ‘een stel met een kind’ plotseling ‘een gezin’. Gek genoeg zijn nu niet alleen de kinderen afhankelijk van mij, maar ik ook van hen. Die wederzijdse afhankelijkheid heeft me volledig overvallen. De tien jaar daarvoor deed ik namelijk vooral mijn best om op mezelf te komen staan. Als ‘verstandige meid’ had ik wis- en natuurkunde in mijn pakket, dopte mijn eigen boontjes en met vallen en opstaan verwierf ik emotionele en financiële zelfstandigheid. De komst van kind-twee jaste die zorgvuldig opgebouwde balans totaal overhoop.
Van ‘ik’ naar ‘wij’ is een enorme stap. Wiebelig als een giraffejong, maar met de verantwoordelijkheid van een leeuwenmoeder, ben ik mijn weg gaan zoeken in het onbekende struikgewas dat het gezinsleven bleek te zijn. Als ik Rosa nu vergenoegd hoor zeggen ‘Zo doen wij dat altijd hè mam’ als haar vriendje zich verbaast dat we samen aan tafel eten, dringt tot me door dat er al doende zoiets als een gezinscultuur is ontstaan. Samen hebben we een nieuw en uniek eilandje onwikkeld. Zo heb ik dan toch mijn onafhankelijkheid teruggevonden, maar nu doen we het samen.
Waar zijn mijn sleutels nou weer? We moeten gaan anders komen we te laat op school. Ik zoek me een ongeluk. In de la, in mijn jas, in mijn tas, op de tafel; niks. “Ik word gek van jullie!” krijs ik harder dan ik wil. “Ik blíjf aan het opruimen en jullie maken er steeds weer een troep van. Doe ook ‘s wat!” Ik ontplof ogenschijnlijk uit het niets. De meisjes schrikken zich een hoedje. Mijn lief is een week weg en tot nu toe vlogen we als eendrachtig driemanschap door de dagen maar plotseling ben ik er helemaal klaar mee. Ik weet het, er zijn talloze ouders die het altijd in hun eentje moeten doen maar het voelt ontzettend kwetsbaar om in mijn eentje zo verschrikkelijk verantwoordelijk voor alles te zijn. En dan ook nog die eindeloos aangroeiende rommel die maar niet opgeruimd komt. De afwas op het aanrecht, de stapels ongevouwen was, het rondslingerende speelgoed, de neergesmeten schooltassen, de kranten en de post, de eettafel die afgeruimd moet worden – het komt telkens weer terug, het houdt maar niet op. Natuurlijk helpen de kinderen mee en leren ze hun eigen spullen opruimen. Het is alleen een onderdeel van het huishouden waar ik zelf minder goed mee uit de voeten kan. Ik voel me als de vrouw in het sprookje bij die alsmaar uitdijende rijstebrijpot, die smeekt of het op mag houden. En hoe hard ik er ook van eet de pot stroomt over en blijft maar overstromen tot het hele huis, de hele straat, het hele dorp onder de rijstebrij gelopen is.
Sinds ik moeder ben, ben ik gevoeliger voor rommel. Dat is onhandig want er is meer rommel sinds ik moeder ben. In mijn éénpersoonshuisje wist ik feilloos de weg in de verschillende stapels die her en der verspreid lagen. Ik kon altijd mijn schaar vinden en greep nooit mis als ik een pen nodig had. “Ik vind het belangrijk dat ik niet hoef te zoeken, daarom hou ik de boel graag op orde” zei ik tegen mijn vriend die de neiging had alles op te ruimen zodra hij binnen was. Hij schoof onder tafel van het lachen. Ik begreep er niks van want mijn systeem beviel me goed. Het hoeft van mij niet opgeruimd te zijn, als ik alles maar kan vinden. Met eindeloos veel geduld heeft Tijs systemen ontwikkeld die mijn behoefte aan orde – gecombineerd met de onmogelijke wens om niet teveel te hoeven opruimen – ondersteunen. Hij maakt het systeem, ik hou het bij. Dat is de verdeling. Maar kinderen doorkruisen dat. Daar zijn het kinderen voor. En ik wil ze ook niet neurotisch nadragen dat ze alles moeten opruimen, daar heb ik immers zelf ook een hekel aan. Maar o wee de heftige golf die me dan overspoelt als ik wéér mijn sleutels niet kan vinden terwijl ik al dagen aan het sloven en rennen ben. Dan is de redelijkheid ver te zoeken. Sorry lieve kinderen, straks maak ik het weer goed, o.k.? Nu eerst mijn sleutels zien te vinden.
“Ze blijft ook maar aan mijn kop zeuren met je moet dit doen, je moet dat doen en heb je daar wel aan gedacht. Dan heb ik al geen zin meer om het te doen. Ik doe het heus wel maar dan moet ze d’r mond houden.” Jelmer, mijn 17 jarige oppasbuurjongen, lucht grommend zijn hart. Enigzins beschaamd hoor ik het intieme kijkje in de opvoedkeuken van de buurvrouw aan. Aan de andere kant lukt het me ook niet om een glimlach te onderdrukken over deze klassieke puberscène. “Ik weet toch ook heus wel dat ik mijn schoolwerk moet doen maar zij zanikt zoveel aan mijn hoofd, terwijl ze er niks van afweet, dat ik liever het huis uitga om bij mijn vrienden te zijn. Ja, en dan komt er weer niks van en dan is zij weer boos en denkt ze dat ze gelijk heeft. Maar ik ga echt mijn best wel doen want ik wil dat examen natuurlijk gewoon halen. Waarom gelooft ze me nou niet als ik dat zeg.”
De litanie houdt nog even aan en als hij uitgeraasd is suggereer ik voorzichtig zijn moeder wat meer inzicht te geven in zijn planning zodat je wat meer gerustgesteld is. Zo had ie er nog niet naar gekeken, misschien was dat wel een idee. Zijn lange lijf strekt zich behaaglijk uit op de bank en hij knoopt nog een gezellig kletspraatje aan. Het is al na twaalven, moet ie eigenlijk niet naar bed, zegt mijn moederhart. Maar laat ik de sfeer niet bederven, hij kan beter hier zijn ongenoegen uiten dan bij de buurvrouw.
“Ik word gek van die jongen. Zijn tentamens beginnen volgende week en hij loopt maar buiten te fluiten. Dan zeg ik voordat ie weggaat dat ik wil weten wanneer hij zijn huiswerk gaat doen en dan krijg ik een grauw en een snauw en is-ie er weer vandoor. Ik snap het niet, hoe harder ik hem probeer te helpen, hoe moeilijker ik ‘m bereik.” De buurvrouw leunt verslagen tegen de deurpost, de onmacht knaagt harder aan haar dan ze wil toegeven. Alweer zo’n klassieker uit het Ouders&Pubers Toneelstuk. Als je er middenin zit herken je ze blijkbaar niet. “Hoe anders was dat met mijn dochter, die had tenminste verantwoordelijkheidsgevoel, die zorgde dat ze op tijd klaar was. Ze heeft er hard voor moeten werken hoor en bij hem, pff, het lijkt ‘m allemaal zo aan te komen waaien. Ik geloof alleen nooit dat ie daarmee weg komt.” De lofzang op haar dochter gaat nog even door, maar zo te horen is ze het vertrouwen in haar zoon helemaal kwijtgeraakt door alle goedbedoelde zorgen. Ik vertel haar hoe goed hij op mijn kinderen past, hoe ik met een gerust gevoel wegga in de wetenschap dat ze in goede handen zijn. Dat hij de enige van alle oppassen is die ze soepel het bed in krijgt, hoe gek de kinderen op hem zijn en hoe streng en rechtvaardig hij voor ze is. Ze kan het nauwelijks geloven, maar ze luistert wel. “Het is een doerak maar hij is wel héél sociaal en hij gaat zo gemakkelijk met allerlei mensen om. Dat is wel echt zijn kracht hè.”
De vlag kan uit, Jelmer is geslaagd. Huilend staat de buuf aan de deur, wat een enorme opluchting, wat heerlijk voor iedereen. ‘s Avonds geef ik hem een enorme hangmat kado. Om uit te rusten, tot consternatie van ma, tot blijdschap van zoonlief.
“Oh nee hè, kijk nou wat er gebeurt, dat gaat niet goed!” roept Rosa verschrikt uit als ze ziet hoe de moederijsbeer haar jong op de grond laat stuiteren. Ik sus dat ‘t allemaal zo’n vaart niet zal lopen, dat ‘t voor de moeder ook allemaal nieuw is en ze het nog moet leren. Nu maar hopen dat ijsbeerbaby’s daar op gebouwd zijn. Acht jaar geleden stond ik zelf te stuntelen met mijn eersteling en vreesde ik de dag dat ‘t kindje in een onbewaakt ogenblik van de commode zou kukelen. Wat voelde ik me onhandig en onzeker en ik kon haar bovendien niet vragen of ik het zo allemaal wel goed deed. Ik prutste met kleertjes aantrekken, aarzelde over wel of niet troosten bij het huilen, wist me geen raad als ze niet wilde slapen volgens het schema van de kraamzuster. Maar elke dag keerden dezelfde rituele handelingen terug en gaandeweg raakte ik vertrouwd met het verzorgen van zo’n hummeltje. Door zo praktisch bezig te zijn groeide het vertrouwen in mijn moeder-kunnen. Gelukkig werd mijn commodenachtmerrie geen bewaarheid maar als kersverse moeder heb ik ook heus mijn lessen wel gekregen. Die keer dat ik in haar vinger knipte en het bloed eruit spoot, dat ik vergeten was de babyfoon aan te zetten en ze urenlang (?) had liggen huilen, dat haar prakje te warm was en ze haar tong brandde. En toen dacht ik het bij de tweede allemaal wel te weten en bleek Estelle een heel ander kind… Het leren begon van voor af aan.
Mijn lief was in het begin net zo onzeker als ik over hoe het allemaal moest en tijdens mijn verlof was hij sterk geneigd het aan mij over te laten. In die tijd was ik echter kostwinner dus hij zou merendeel voor Rosa gaan zorgen. Dapper moedigde ik hem aan het op zijn eigen manier uit te vinden. Al dacht ik diep in mijn hart dat mijn manier natuurlijk de beste was. De luiers zaten aan de losse kant en hij gebruikte de plasgootjes niet, hij vouwde de was heel anders dan ik gewend was, sloeg geen voorverwarmd handdoekje om het blote kind als hij het meenam naar de douche, gaf het potje eten zo koud uit de koelkast en maalde niet om bij elkaar passende broekjes en truitjes. Maar ze vaarde er wel bij en ik zag hoe de band die ze samen opbouwden met de dag sterker werd.
Om me heen zie ik dat veel mannen hoofdschuddend ter verantwoording worden geroepen door hun vrouw, of erger nog, ze worden gecorrigeerd waar ze bij staan. Sommige vrouwen doen het stiekem over zodra manlief de hielen heeft gelicht. En vervolgens hoor ik ze klagen dat alle zorg uiteindelijk toch op hun schouders neerkomt. Dat is natuurlijk niet zo gek als die man de kans niet krijgt het op zijn eigen manier uit te vinden, om succeservaringen op te doen. De enige manier om vertrouwd te raken met het kind dat je in de schoot geworpen is, is doen-doen-doen, te beginnen met de basale praktische verzorging. Als het gaat om een eerlijke zorgverdeling is zelf meer buitenshuis gaan werken geen automatische garantie op ruimte voor je man, daarvoor is iets anders nodig. De moed om naast je eigen maatstaf een andere te accepteren. Want voor je het weet verstoot je niet je kind maar wél je man en volgens mij ben je dan nog verder van huis.
illustratie; Niels Snoek
“Mama, zag je dat? Die mevrouw deed heel boos omdat haar kindje op de glijbaan probeerde te klimmen. Ze pakte het meteen weg van de tweede tree van het trappetje.” Estelle is verontwaardigd naar me toegerend en kijkt me nu met grote vragende ogen aan. Ik zag het gebeuren en het verbaasde me ook, maar hoe leg je een kind van zes uit dat je als ouder altijd schippert tussen ‘laten gaan’ en ‘ingrijpen’. De ene keer lukt dat beter dan de andere keer. Het ge-pas-op en kijk-uit is vaak niet van de lucht in een speeltuin. Vaak al voordat er sprake is van enig gevaar. Nu moet je als ouder ongelukken zien te voorkomen, dat spreekt, maar de truc is die waarschuwingen dan wel op het goede moment te laten klinken en ze niet te pas en te onpas uit te kramen. Dan verliezen ze al snel hun functie.
Deze moeder lijkt me al te voorzichtig met haar kleintje. Een kind moet immers ook de kans krijgen om te leren. En dat gaat nu eenmaal met vallen en opstaan. Maar misschien zit ik ernaast en heeft de moeder een goede reden om zo resoluut het spel van haar kind te onderbreken. Van de buitenkant kan ik dat eigenlijk niet zeggen. Het is te gemakkelijk om zo te oordelen over andermans opvoeding.
‘Tja lieverd, misschien was die moeder bang dat haar kindje zou vallen’ zeg ik tegen mijn dochter. “Maar ze stond pas op de tweede tree! Zo leert ze het toch nooit? En waarom was die moeder dan zo kwaad, ze ging erbij schreeuwen en pakte dat kindje echt zo hop-hop onder de arm en sleurde het naar de kant.” Estelle is oprecht verontwaardigd over zoveel onrecht. Ik probeer een glimlach te ondrukken over haar jong verworven inzicht. ‘Ik weet het niet. Het is nog wel echt een klein kindje, misschien is het nog niet zo handig en valt het vaak. Misschien had ze al een paar keer gewaarschuwd dat het kindje de glijbaan niet op mocht klimmen. Maar dat zou ze natuurlijk beter niet zo boos kunnen zeggen. Je kan het kindje ook rustig oppakken, zeggen dat het niet mag en daarna het bij iets te spelen zetten dat wél veilig is.’
“Of ze zou haar kindje kunnen leren hoe je goed de glijbaan opklimt” oppert mijn jongste en dat is natuurlijk ook een optie.