Ingmar Heytze wordt vader in 41 gedichten

de man die ophield te bestaanIn onderzoeken* wordt de geboorte van een eerste kind als een van de meest ingewikkelde overgangen gezien die vaders en moeders individueel en als stel doormaken. Dat begint natuurlijk al daarvóór, bij de zwangerschap. In tegenstelling tot wat de meeste stellen denken, komt de (partner)relatie danig onder druk te staan. Dichter Ingmar Heytze beschrijft het van binnenuit en verzucht in zijn gedicht De tweede echo:

     […] Ik ben een hand
     in een hand, een passant die kijkt en zwijgt,
     zo overbodig als een god na afloop van de zesde dag.

Kunst waarin ouderschap centraal staat is schaars. Als je erop gaat letten, draait het snel om de kinderen, of zijn het kinderen die hun ouders (al dan niet) in het zonnetje zetten. [...] Lees verder

Dwaas liedje

Mama.
Ik wil van zilver zijn.

Jongen,
dan krijg je het flink koud.

Mama.
Ik wil van water zijn.

Jongen,
dan krijg je het flink koud.

Mama.
Borduur mij op je hoofdkussen.

Dat zeker!
Direct!

Frederico García Lorca (1898 – 1936)
Uit: ‘Liedjes‘ (1996)
 [...] Lees verder

De Kinderen

Nog dertien minuten
nee twaalf.

Ik had de hele dag om te werken
maar ik ging lezen en sorteren en kijken
hoe ik de dag het best kon indelen en nu
heb ik er nog maar elf.

Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen
neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden
mogen slaan met pannen en dieren
schoppen en deuren en niet op het kleed poepen
en er met een trein doorheen rijden
en niet je neus aan je broer afvegen
en nu moet je echt slapen slapen slaap nu toch
eens
in je eiegen bed en niet schreeuwen niet schreeu-
wen schreeuw niet zo!

Het hikken in mij
als de ochtend die ik
in schok schokken voorbij zie gaan. [...] Lees verder

*

‘Slaap maar,’ zeg ik
tegen een dochter die allang slaapt
en daar wakker van wordt.

Het onweert. Misschien wil ik wel
dat zij bang is, dan kan ik vader zijn.
Maar ik kan niets anders dan samen met haar
niets kunnen.

Zoals woorden. De dingen gebeuren.
Zonder woorden zouden ze ook gebeuren.
Maar dan zonder woorden.

Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Enkelvoud (1991)
 [...] Lees verder

Mijn zoon

Mijn zoon stormt door het huis,
een roffel op de trap. Hij is
zichzelf een motor. Het lied
dat in hem leeft ontsnapt hem
soms. Ik hoor hem zingen
op de gang en zwijg.

’s Nachts is hij bang, hij twijfelt
aan zichzelf, aan ons, de wereld.
Ik neem hem in mijn arm
en zonder spreken vaag ik
de oorlog weg en kinderkanker
mijn eigen dood, het monster van de tijd.

Ik lieg hem voor en red hem
tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.

Anna Enquist (1945)
Uit ‘Gedichten 1991-2012’ (2013)
 [...] Lees verder

Jiddish

Mijn vader zong de liedjes
die zijn moeder vroeger zong
later voor mij, die ze half verstond.

Ik zing dezelfde woorden weer
heimwee fladdert in mijn keel
heimwee naar wat ik heb.

Zing voor mijn kinderen
wat ik zelf niet versta
zodat zij later, later?

Voor de rozen verwelkt zijn
drinken wij al het bloemenwater.

Verdrietige intieme taal
het spijt me dat je in dit hoofd
verschrompelde.
Het heeft je niet meer nodig
maar het mist je wel.

Judith Herzberg (1934)
uit: Beemdgras (1968)
 [...] Lees verder

Het gebed | de grootouders

Drie maal per dag, naar vaste wetten,
nemen zij de eigen plaatsen in,
en gaan zich rond de tafel zetten;
van haat eendrachtig: het gezin.

De vader heeft het mes geslepen,
De kinderen wachten, wit en stil.
De moeder houdt haar bord omgrepen,
alsof zij het vergruizelen wil.

Een grauw: dan vouwen zij de handen,
de disgenoten in het huis:
van tafelrand tot tafelranden
geschikt tot een onzichtbaar kruis.

Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: Het levend monogram (1973)
 [...] Lees verder

Op zijn knieën

Op zijn knieën
graaft een vader
voor zijn kinderen
een bankje uit het strand.
Ze blijven doodstil zitten.
Liggend op mijn buik
kijk ik naar hoe hij
er bij lacht, er van geniet.
En verderop

zie ik een vrouw
aan wie ik zie
dat zij hetzelfde in hém
ziet.

Alles is los zand.

Margerite Luitwieler (1960)
uit: Op hoge hakken de trap op rennend (2010)
 [...] Lees verder

Bij mijn zonen ben ik veilig

Bij mijn zonen ben ik veilig
hun boten van papier zinken
alleen in helder water

hun vliegtuigen hebben een schietstoel
geleend van Griekse goden
het verdriet slaat een zijstraat in
als het ons ziet komen
hun knikkers weten altijd waarheen
daarvan ben ik aan het leren
van klachten vlechten ze liederen
van spinnen bewaren ze het net
daarin vangen ze dromen die uitkomen
en twijfels die ze zo vervangen
sinds ze er zijn, word ik toegelaten
binnen de omheining van de vreugde
bij mijn zonen ben ik veilig

Roel Richelieu Van Londersele (1952)
uit: Tot zij de wijn is (2009)
 [...] Lees verder

Mijn dochter en ik

Terwijl ik lees voel ik mijn dochter kijken;
ik laat niets merken en lees rustig door.
Haar leven doet zich helder aan mij voor:
het zal in alles op het mijne lijken.

Niets kan ik doen, opdat zij zal bereiken
wat ik, amper gevonden, weer verloor;
geen vindt van het geluk méér dan een spoor,
ook zij niet, en ook zij zal het zien wijken.
Ik sluit het boek. Wij zitten naast elkaar;
geen woorden tussen ons; slechts, even maar,
de glimlach van de een tegen de ander.
’t Is of ik in mijn eigen ogen staar,
en wat daar staat, het is als water klaar,
wanneer ik langzaam in mijzelf verander.

Ed. Hoornik (1910-1960)
Uit: Tweespalt (1943)
 [...] Lees verder