gedicht
Wirwar
Ingmar Heytze wordt vader in 41 gedichten
Dwaas liedje
De kinderen
Nog dertien minuten
nee twaalf.
Ik had de hele dag om te werken
maar ik ging lezen en sorteren en kijken
hoe ik de dag het best kon indelen en nu
heb ik er nog maar elf.
Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen
neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden
mogen slaan met pannen en dieren
schoppen en deuren en niet op het kleed poepen
en er met een trein doorheen rijden
en niet je neus aan je broer afvegen
en nu moet je echt slapen slapen slaap nu toch
eens
in je eiegen bed en niet schreeuwen niet schreeu-
wen schreeuw niet zo!
Het hikken in mij
als de ochtend die ik
in schok schokken voorbij zie gaan. [...] Lees verder
Slaap maar
Mijn zoon
Mijn zoon stormt door het huis,
een roffel op de trap. Hij is
zichzelf een motor. Het lied
dat in hem leeft ontsnapt hem
soms. Ik hoor hem zingen
op de gang en zwijg.
’s Nachts is hij bang, hij twijfelt
aan zichzelf, aan ons, de wereld.
Ik neem hem in mijn arm
en zonder spreken vaag ik
de oorlog weg en kinderkanker
mijn eigen dood, het monster van de tijd.
Ik lieg hem voor en red hem
tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.
Anna Enquist (1945)
Uit ‘Gedichten 1991-2012’ (2013) [...] Lees verder
Jiddish
Mijn vader zong de liedjes
die zijn moeder vroeger zong
later voor mij, die ze half verstond.
Ik zing dezelfde woorden weer
heimwee fladdert in mijn keel
heimwee naar wat ik heb.
Zing voor mijn kinderen
wat ik zelf niet versta
zodat zij later, later?
Voor de rozen verwelkt zijn
drinken wij al het bloemenwater.
Verdrietige intieme taal
het spijt me dat je in dit hoofd
verschrompelde.
Het heeft je niet meer nodig
maar het mist je wel.
Judith Herzberg (1934)
uit: Beemdgras (1968) [...] Lees verder
Het gebed | de grootouders
Drie maal per dag, naar vaste wetten,
nemen zij de eigen plaatsen in,
en gaan zich rond de tafel zetten;
van haat eendrachtig: het gezin.
De vader heeft het mes geslepen,
De kinderen wachten, wit en stil.
De moeder houdt haar bord omgrepen,
alsof zij het vergruizelen wil.
Een grauw: dan vouwen zij de handen,
de disgenoten in het huis:
van tafelrand tot tafelranden
geschikt tot een onzichtbaar kruis.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: Het levend monogram (1973) [...] Lees verder
Op zijn knieën
Op zijn knieën
graaft een vader
voor zijn kinderen
een bankje uit het strand.
Ze blijven doodstil zitten.
Liggend op mijn buik
kijk ik naar hoe hij
er bij lacht, er van geniet.
En verderop
zie ik een vrouw
aan wie ik zie
dat zij hetzelfde in hém
ziet.
Alles is los zand.
Margerite Luitwieler (1960)
uit: Op hoge hakken de trap op rennend (2010) [...] Lees verder